Technology, Innovation, Education

"technology creates feasibility spaces for social practice"

Wrestling with Godwin’s Law: Breaking the Taboo

On May 5th, 2014, I delivered the inaugural annual Godwin-lecture at the Dutch Resistance museum in Amsterdam. May 5th is liberation day, a day on which the Dutch celebrate freedom. An ideal moment to use the past, in particular the Second Worldwar, to reflect on the our current state of freedom. Below, in Dutch, the full lecture as I delivered it. For a slightly shorter version (edited for legibility) check out De Correspondent. Comments are more than welcome.

Inleiding

Dank u wel voor uw komst naar dit indrukwekkende museum op deze bijzondere dag. Het is aan mij om de spits af te bijten van een lange reeks jaarlijkse lezingen, waarin sprekers expliciete verbanden zullen gaan leggen tussen de actuele ontwikkelingen en de Tweede Wereldoorlog. Vanavond ga ik u proberen uit te leggen waarom ik het belangrijk vind dat dit gebeurt. Laten we beginnen.

U voelt de eerste ‘Godwin’ al aankomen. Hier is hij dan:

In de Tweede Wereldoorlog hadden we wél wat te verbergen.

 Bijvoorbeeld de gegevens die opgeslagen waren in het bevolkingsregister.

De aanslag op het bevolkingsregister

Dit bevolkingsregister was voor de Duitse bezetter een bijzonder handig opsporingsmiddel: de gegevens van 70.000 Amsterdamse Joden lagen erin opgeslagen. Daarnaast kon de bezetter het register gebruiken als controlemiddel, bijvoorbeeld om te controleren of de informatie op een persoonsbewijs wel klopte.

Op 27 maart 1943 pleegde een verzetsgroep daarom een aanslag op het toenmalige bevolkingsregister. Gerrit van der Veen, Willem Arondéus, Johan Brouwer, Rudi Bloemgarten en nog een aantal anderen hadden de aanslag grondig voorbereid en hadden besloten dat er geen doden mochten vallen. De aanslagplegers gingen als politieagent verkleed het gebouw in. Ze overmeesterden de bewakers en gaven deze een verdovende injectie om ze daarna via een achteringang even in Artis te parkeren. De archiefkasten met de bevolkingsadministratie werden overhoop gegooid. Na de admnistratie te overgieten met benzol stichtte de groep een zo groot mogelijke brand.

De brandweer speelde een cruciale rol die avond. Een aantal met het verzet bevriende brandweerlieden was van tevoren al op de hoogte gesteld van de aanslag. Toen de melding van de brand binnen kwam, werd er bewust wat langer gewacht met uitrukken om het vuur goed zijn werk te kunnen laten doen. Bij het blussen en nablussen werd er extra veel water gebruikt. Op die manier was er naast de brandschade ook waterschade. Op de één of andere manier vind ik dit verhaal over de brandweer een typisch Nederlandse vorm van verzet: een soort ‘polderverzet’ zeg maar.

De aanslag was uiteindelijk niet zo succesvol als gehoopt. Omdat de persoonsbewijzen zo dicht op elkaar waren opgeslagen bleef er veel bewaard. Ongeveer 15% van de documenten waren door de brand vernietigd. Daarnaast waren er door de waterschade nog een paar duizend documenten onbruikbaar geworden en was de totale ravage natuurlijk enorm. De verzetsgroep werd verraden door een NSB’er en in juli 1943 werden twaalf leden van de groep in de duinen bij Overveen gefusilleerd.

De Nederlandse bewaarplicht

Het gebouw waarin het bevolkingsregister in de Tweede Wereldoorlog gevestigd was heeft de aanslag en de oorlog wel overleefd. Het bevindt zich op een steenworp afstand van waar u nu zit.

Het toenmalige bevolkingsregister nu (Wikimedia Commons gebruiker: Picasdre, CC BY-SA 3.0)

Het toenmalige bevolkingsregister nu (Wikimedia Commons gebruiker: Picasdre, CC BY-SA 3.0)

Eigenlijk had ik daar deze lezing willen geven. Maar dat kon helaas niet. Het gebouw wordt namelijk op dit moment door Artis verbouwd tot een congrescentrum. Er was toch niets symbolischer geweest dan op die plek een verhaal te houden over de recente ontwikkelingen op het gebied van de bewaarplicht? Er is toch geen ander verhaal dan deze aanslag dat ons zo duidelijk de schaduwkant laat zien van het opslaan van persoonsgegevens?

Aankondiging Nederlandse bewaarplicht

Aankondiging Nederlandse bewaarplicht

Op 1 september 2009 is, als implementatie van een Europese richtlijn, de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens in werking getreden. Deze wet verplicht internetproviders en telecomaanbieders tot het bewaren van alle verkeers- en locatiegegevens van hun klanten voor een periode van zes tot twaalf maanden. Als ik nu met u zou bellen moet Vodafone bijvoorbeeld de begin- en eindtijd, de telefoonnummers, de namen en adressen van de betrokken abonnees, en de locaties waar betrokken mobiele telefoons zich bevinden, twaalf maanden bewaren.

Hoewel de inhoud van de gesprekken niet bewaard hoeft te worden gaat het hier toch om bijzonder gevoelige gedragsgegevens. Mijn collega Ton Siedsma heeft bijvoorbeeld al zijn gedragsgegevens van één week bijgehouden en aan de journalist Dimitri Tokmetzis van De Correspondent gegeven. Die heeft vervolgens, samen met een onderzoeksteam van de universiteit van Gent en een veiligheidsexpert, deze vijftienduizend ‘data points’ uit Ton’s mailtjes, telefoontjes en websitebezoek geanalyseerd. Voor de duidelijkheid: dit gaat niet over de inhoud van Ton’s emails en gesprekken. Ton heeft echt alleen de gegevens die een provider in het kader van de bewaarplicht op zou moeten slaan aan Tokmetzis overgedragen.

Eén week aan data bleek ruim voldoende om een gedetailleerd beeld te schetsen van wie Ton is. Een korte passage uit het artikel op De Correspondent:

“Ton is begin twintig en nog niet zo lang afgestudeerd. Hij krijgt e-mails over studentenhuisvesting en bijbanen, op te maken uit de onderwerpregel en de afzenders. Hij maakt lange werkdagen, mede doordat hij ver moet reizen met de trein. Vaak is hij niet voor acht uur ‘s avonds thuis. Eenmaal daar gaat het werk door tot ver in de avond. Er wordt nog met collega’s gebeld en gemaild. [..] Ton leest graag over sport op nu.nl, nrc.nl en vk.nl. Hij is vooral geïnteresseerd in fietsen. Dat doet hij ook zelf. Ook leest hij Scandinavische thrillers, althans daar zoekt hij naar op Google en Yahoo. Hij heeft daarnaast interesse in filosofie en religie. We vermoeden dat Ton christelijk is. [..]

De bewaarplicht is een disproportionele schending van onze privacy. Waarom zou deze informatie van echt iedereen bewaard moeten worden? In Duitsland was men er in 2009 al over uit dat de Europese richtlijn niet in overeenstemming was met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Nog geen maand geleden heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de richtlijn ook ongeldig verklaard. De Finse minister van Onderwijs, Wetenschap en Communicatie reageerde meteen:

“Naturally, we must clean out the paragraphs enacted due to the directive. We will gladly adhere to this decision.”

Je zou verwachten dat de Nederlandse regering even blij zou zijn met de uitspraak. Dat lijkt niet het geval. In een vragenuurtje van de Tweede Kamer op dinsdag 8 april zegt staatssecretaris Fred Teeven:

“Het is belangrijk dat je verkeersgegevens over internet en telefoongegevens over een bepaalde periode kan bewaren.”

Daarna besluit hij nog even rustig acht weken na te gaan denken over hoe Nederland op het vonnis van het Europese hof zou moeten reageren. In een land waar nog geen 75 jaar geleden een aanslag op een databank met bevolkingsgegevens broodnodig bleek te zijn had ik iets anders verwacht van de staatssecretaris.

Ik heb toch niets te verbergen?

Niets te verbergen

Niets te verbergen

De laatste jaren heb ik talloze discussies gevoerd over het belang van privacy. Naarmate zo’n discussie over privacy langer voort duurt wordt de kans dat mijn gesprekspartner het argument “Ik heb toch niets te verbergen?!” gebruikt één. Inmiddels begrijp ik dat dit een reactie is die voortkomt uit privilege. De persoon die “Ik heb toch niets te verbergen” zegt is hoogstwaarschijnlijk niet gemarginaliseerd in de maatschappij en heeft een absoluut vertrouwen in de eigen overheid. Activisten in Syrië, asielzoekers (ongeacht hun achtergrondverhaal), maar ook mensen die bij het UWV ingeschreven staan als werkzoekende zul je het argument niet horen gebruiken.

Mijn reactie op het argument verschilt per situatie. Zo af en toe zeg ik: “In de Tweede Wereldoorlog hadden we wél wat te verbergen.” Dat wordt zelden gewaardeerd. Ik maak dan een ‘Godwin’, een vergelijking met de Tweede Wereldoorlog, om mijn argument kracht bij te zetten. En dat is niet kies.

Godwin en Wilders

Waar komt die term ‘Godwin’ eigenlijk vandaan?

Mike Godwin (Lane Hartwell, CC BY-SA 3.0)

Mike Godwin (Lane Hartwell, CC BY-SA 3.0)

Dit is Mike Godwin. Hij zat, met vele anderen, al op het internet voordat het World Wide Web uitgevonden was. Het was de tijd waarin onze communicatieinfrastructuur nog niet volledig gecommercialiseerd was maar gerund werd door publieke instanties. De tijd waarin we technologie zo ontwierpen dat het gedistribueerd kon werken en we nog niet al onze data aan vijf Amerikaanse tech-giganten hoeften te geven.

In 1990 viel het hem op dat in online discussies steeds vaker Nazi-vergelijkingen werden gemaakt. Politiek beleid werd keer op keer vergeleken met nazisme. Het maken van zo’n vergelijking was een ‘meme’ geworden, een idee dat zich op virale wijze verspreid. Godwin vond persoonlijk dat dit de holocaust trivialiseerde en besloot om, als experiment, een ‘counter-meme’ in te zetten. Hij ontwikkelde wat hij noemde “Godwin’s Law of Nazi Analogies”. Die luidde in het Nederlands als volgt:

“Naarmate online-discussies langer worden, nadert de waarschijnlijkheid van een vergelijking met de nazi’s of Hitler één.”

In elke discussie waar een, naar zijn mening, niet gerechtvaardige Nazi-analogie werd gemaakt plaatste hij zijn ‘wet’. Volgens Godwin werkte zijn ‘counter-meme’. In discussies waar hij zijn wet had geplaatst werden er minder vergelijkingen gemaakt. Sindsdien is het aanroepen van de Wet van Godwin langzaam uitgegroeid tot een effectief middel om mensen die een vergelijking met de Tweede Wereldoorlog maken terecht te wijzen.

In het Nederlandse debat wordt de wet van Godwin ook regelmatig aangeroepen. De laatste jaren vooral in verband met beroepspoliticus Geert Wilders.

Geert Wilders (Flickr gebruiker: ANS-online, CC BY-NC-SA 2.0)

Geert Wilders (Flickr gebruiker: ANS-online, CC BY-NC-SA 2.0)

Elke keer dat Wilders de volgende stap neemt in zijn populistische draaiboek is er wel iemand die hem, meestal vanuit diepe morele verontwaardiging, met Hitler vergelijkt. Wat er dan volgt is steevast hetzelfde: Wilders zegt gekrenkt te zijn, hij geeft aan dat hij niemand wil vernietigen en dat hij zich juist thuis voelt in Israel. De persoon die de vergelijking heeft gemaakt wordt teruggefloten en is de gebeten hond.

Een recent voorbeeld speelde een week voor de gemeenteraadsverkiezingen. Wilders was op campagne op een markt in Den Haag en zei zei dat zijn kiezers stemmen voor “een stad met minder lasten en als het even kan wat minder Marokkanen”. De PvdA bestuurder Fouad Sidali reageerde in een tweet:

“Hitler is onder ons. In de gedaante van Geert Wilders. Hitler vond ook dat er minder Joden moesten zijn. Opdat we nooit zullen vergeten.”

Een dag later schrijft Sidali:

“De vergelijking die ik maakte is ongepast en had ik niet mogen maken. Men moet wel beseffen welke emoties de uitspraken van Wilders oproept”

Hij deed dit uiteraard weer in een tweet (ik vraag me soms trouwens af wat Goebbels met een medium als Twitter voor mekaar had kunnen krijgen) en Wilders reageert op Twitter binnen een half uur:

“Sidali teruggefloten door Spekman, neemt woorden terug. Verstandig. Vertrek naar Marokko zou nog verstandiger zijn.”

Naar aanleiding van de ophef rondom Wilders’ uitspraken op de avond van de gemeenteverkiezingen wist Ronald Sørensen, lid van de eerste kamer voor de PVV, de vergelijkingen met Nazi-Duitsland in perspectief te plaatsen. In het Algemeen Dagblad zegt hij:

“Ja, we willen minder Marokkanen. Maar een enkeltje naar de zon in Marokko is toch wel wat anders dan een enkeltje Auschwitz.”

Dit noem ik dan maar een ‘reverse-Godwin': het gebruiken van een vergelijking met de holocaust om je eigen handelen in een positief daglicht te plaatsen. Jerry Springer deed een maand geleden ook een ‘reverse-Godwin’. Hij was het zat dat mensen TV de schuld geven van maatschappelijke problemen en zei daarom op een conferentie:

“We had a holocaust before anyone had a television set”

Wilders heeft inmiddels aangegeven dat hij zich niet langer laat vergelijken met Hitler, het fascisme of andere elementen uit de Tweede wereldoorlog. Hij zegt dat hij de mensen die dat toch doen civielrechtelijk gaat aanpakken, met als eis dat ze hun woorden terugnemen en hun excuses aanbieden. Ik vraag mij daarbij af of hij de criteria voor zo’n procedure niet wat moet verbreden. Mensen zullen hem anders ongetwijfeld gaan vergelijken met bijvoorbeeld Idi Amin. Amin “regelde” immers in augustus 1972 dat ongeveer zestigduizend Aziaten binnen 90 dagen Oeganda moesten verlaten. Mij zult u overigens niet op het maken van deze vergelijking kunnen betrappen. Het lijkt me niet handig om een civielrechtelijke procedure aan mijn broek te krijgen, nu ik op dit moment nog in een strafrechtelijke procedure verwikkeld ben. Maar daarover later meer.

Vrijheid op 4 en 5 mei

Het is begrijpelijk dat het taboe op de ‘Godwin’ bestaat.

Nationaal Comité 4 en 5 mei

Nationaal Comité 4 en 5 mei

Het raakt namelijk aan een paradoxaal element binnen de activiteiten op 4 en 5 mei: De horreurs van de Tweede Wereldoorlog zijn zo afgrijselijk dat ze op zichzelf staan als een verabsolutering van het kwaad. De holocaust is met niets of niemand te vergelijken, niemand is zo erg als Hitler, en het is eens maar nooit weer. Dit is het uitgangspunt van bijvoorbeeld iemand als herdenkingspurist Rik Peels, die op 1 mei jongstleden in het NRC schrijft over de inflatie van onze Dodenherdenking die volgens hem zo langzamerhand op een kerstboom begint te lijken waar altijd nog wel een bal bij kan. (Hij doet daar overigens naar mijn mening onrecht aan het kerstfeest, vergelijkingen blijven problematisch). Tegelijkertijd kan het leed van de Tweede Wereldoorlog alleen maar echt betekenis houden als het gerelateerd kan worden aan huidige maatschappelijke, economische en politieke discussies.

Naarmate er minder mensen zijn die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt zal dit een urgenter probleem worden voor het in 1987 opgerichte Nationaal Comité 4 en 5 mei. Zij houden sinds 2001 door middel van een jaarlijks ‘vrijheidsonderzoek’ de beleving van Nederlanders ten aanzien van 4 en 5 mei in de gaten. De resultaten van 2014 zijn net binnen. Ik citeer:

“De Tweede Wereldoorlog en de aanslagen op ‘nine-eleven’ zijn twee historische gebeurtenissen die het denken over vrijheid en onvrijheid van ruim de helft van de Nederlanders sterk hebben beïnvloed. De Tweede Wereldoorlog is vandaag de dag nog steeds een actueel onderwerp van gesprek: acht op de tien Nederlanders praten nog over deze oorlog.”

De onderzoekers schrijven echter ook dat 4 en 5 mei aan moeten blijven sluiten bij de beleving van de burgers om die duidelijke plaats in de samenleving te behouden.

Ruud Lubbers gaf in 2006 de 5 mei lezing. Hij vroeg zich af of het na de eerste bevrijding aan het einde van de Tweede Wereldoorlog en de tweede bevrijding aan het einde van de koude oorlog (de val van de muur) niet tijd is voor een derde bevrijding. Ik citeer uit zijn speech:

“Zijn wij niet toe aan een derde bevrijding? Een bevrijding door onszelf, van onszelf, van onze eigen angst? Roosevelt sprak van ‘freedom from fear’ en daarmee doelde hij op dictatuur en oorlog. Maar nu zijn wij bang voor terrorisme en voor andere culturen.”

Lubbers heeft begrepen dat je de lessen over vrijheid die we van 5 mei 1945 kunnen leren moet aangrijpen in het hedendaagse debat. Ik ben het hier met hem eens. Natuurlijk is het altijd ongepast om iemand met Hitler te vergelijken, maar dat betekent niet dat we de vele lessen die we uit het verleden kunnen leren links moeten laten liggen. Ik wil daarom in de rest van mijn verhaal een historisch perspectief gebruiken om een aantal dingen te zeggen over vrijheid, risico en controle in onze datahongerige en snel digitaliserende informatiemaatschappij.

De Bijlmer en maakbaarheid

Flats in de Bijlmer (Flickr gebruiker: Arden, CC BY-SA 2.0)

Flats in de Bijlmer (Flickr gebruiker: Arden, CC BY-SA 2.0)

Om dat te doen beginnen we in de Bijlmer. Voor mij staat deze foto symbool voor het geloof in de maakbaarheid van de samenleving dat ten tijde van het bouwen van de Bijlmermeer, eind jaren zestig/begin jaren zeventig, bijzonder hoog was. Het stedelijk ontwerp van de Bijlmer was gebaseerd op het concept van de ‘functionele stad’. Het ideale ontwerp voor een ideale maatschappij was een radicale scheiding van de functies wonen, werk en vrije tijd. De hoogbouw, zo neergezet dat elke woning ruim voldoende zon kreeg, moest in een groen parklandschap neergezet worden. Het autoverkeer moest op verhoogde dreven gescheiden worden van voetgangers en fietsers.

Ik heb veel met deze wijk. Niet alleen ben ik compleet gefascineerd door het toch wel mislukte maakbaarheidsideaal, ook heb ik zeven jaar bewegingsonderwijs gegeven op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer. Deze school werd in de jaren zeventig, met echte jaren zeventig idealen, gebouwd. Er was niet alleen een vernieuwende pedagogiek, maar ook het gebouw was speciaal. De school stond ‘midden in de wijk’ en het onderscheid tussen binnen en buiten moest zo klein mogelijk worden gemaakt. Er liep dus een fietspad recht door het gebouw en er lagen stoeptegels op de vloer. Alles moest open zijn, de lokalen hadden geen deuren en iedereen kon gewoon binnen lopen. Er was geloof in de goedheid van de mens en er was vertrouwen in elkaar.

Toen begin 2005 de identificatieplicht werd ingevoerd in Nederland werkte ik er nog. Al snel viel mij iets op: zwarte kinderen uit de klassen die ik les gaf werden regelmatig op straat door de politie gevraagd om hun legitimatie te tonen. Aan de blanke leerlingen werd nooit iets gevraagd.

De identificatieplicht

Een identificatiebewijs is een instrument van sociale controle, een instrument van surveillance. Het wordt gebruikt om mensen binnen of buiten te sluiten en de bestaande status quo in stand te houden.

In de Tweede Wereldoorlog wisten we dat heel goed. Gerrit van der Veen was naast één van de mensen die de aanslag op het bevolkingsregister pleegden ook in 1942 één van de mede-oprichters van de Persoonsbewijzencentrale (de PCB). Na heel veel proberen lukte het de centrale om vrijwel volmaakte kopieën van het persoonsbewijs te maken. Op het hoogtepunt werkten er meer dan 100 mensen bij de PCB. Uiteindelijk zijn er meer dan 65.000 vervalste persoonsbewijzen produceerd. Naast ‘arische’ persoonsbewijzen (dus zonder ‘J’) maakte de PBC ook officiële stempels na en produceerde ze tabaksbonnen. Want zoals Lou de Jong schreef:

“In de spanningen van het illegaal bestaan was roken voor menige illegale werker een levensnoodzaak.”

Identiteitsbewijzen worden nog steeds, om allerlei redenen, vervalst.

Lichtbildausweis (Digital Courage)

Lichtbildausweis (Digital Courage)

Dit is een Lichtbildausweis. Een simpel pasje met wat persoonsgegevens. Je kunt ze voor een tientje kopen bij de Duitse burgerrechtenorganisatie Digital Courage. Journalist Brenno de Winter maakte er de afgelopen jaren nieuws mee: hij gebruikte een Lichtbildausweis om zich te legitimeren bij de Tweede Kamer, de AIVD, drie politiekorpsen, de Marechaussee bij een bezoek aan het Koninklijk Paleis, het Europees Parlement, diverse ministeries, de OPTA, de Onderzoeksraad voor Veiligheid en bij diverse bedrijven. Die accepteerden de Ausweis allemaal.

Als een klein en persoonlijk verzet tegen de identificatieplicht had ik sinds december vorig jaar ook een Lichtbildausweis. Het maakte mij bewust van hoe vaak we tegenwoordig een legitimatiebewijs moeten laten zien. Zonder problemen kwam ook ik met dit pasje overal binnen. Meestal ging het ongeveer als volgt: de persoon achter de balie herkende het pasje niet en besloot dan om het even bij een meer ervaren collega te checken. Die ervaren collega keek er dan kort naar en zei “Oh dat is Duits, dat hoort bij de EU, is dus prima”. Daarna werd ik binnen gelaten. In tegenstelling tot De Winter lukte het mij niet om met het pasje te stemmen. De Winter – en let op de ‘Godwin’ – schreef voor HP/De Tijd:

“Pijnlijk was het kunnen stemmen met mijn Lichtbildausweis, terwijl Duitsland toch al eventjes niet meer regeert in Nederland.”

Een kleine maand geleden ging het mis. Het team van mijn werkgever Bits of Freedom ging een workshop geven aan Tweede Kamerleden over ‘Big Data’. Bij de balie werden de namen even gecontroleerd om de gastenlijst af te kunnen vinken. De baliemedewerker stak zijn hand uit en ik gaf hem mijn Lichtbildausweis. Hij las mijn naam voor en zijn collega zette een vinkje voor mijn naam. Ik kreeg mijn pasje terug en kreeg een bezoekerssticker. Daarna zei hij: “Laat dat pasje nog eens zien?” Toen ik het hem gaf, herkende hij het als iets dat niet echt was. Ik feliciteerde hem, zei dat hij pas de de tweede persoon was die scherp genoeg was om het op te merken, en gaf hem mijn paspoort. Hij bleef vriendelijk maar moest “toch even een melding maken”.

Dat was het begin van een bijzonder gemoedelijke escalatie. Hij belde zijn Hoofd, die belde vervolgens de politieambtenaar die altijd in het gebouw aanwezig is en die belde het dichtsbijzijnde politiebureau. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Binnen een kwartier nadat ik mijn Lichtbildausweis had gegeven zat ik op de achterbank van een politieauto, met mijn handen op de voorstoel, op weg naar het bureau. Vanaf dat moment zit je in een procedure met een aantal vaste stappen. Ik werd gewezen op mijn zwijgrecht, had een kort gesprekje met een Hulpofficier van Justitie, steggelde wat over de hoe compleet de lijst moest zijn van alle spullen die werden ingenomen en moest op de foto terwijl mijn vingerafdrukken werden afgenomen. In no time zat ik zonder riem en zonder schoenen in mijn nette pak in de cel te wachten op een advocaat met piketdienst. Mijn boek, ironisch genoeg getiteld ‘Technologies of Insecurity’, mocht gelukkig mee de cel in.

Ik heb in die paar uur veel geleerd. Niet alleen dat je heel vies magnetronvoedsel krijgt als je in de cel zit of dat je om krijtjes mag vragen als je op de deur wilt tekenen. Maar ook dat je door de totale afhankelijkheid van anderen meteen je gedrag gaat aanpassen: “Zouden ze niet heel chagrijnig worden als ik nu weer op het belletje druk om te vragen of ik mag plassen? Ik hou het nog wel eventjes op.” Omdat ik goed behandeld wilde worden en zo snel mogelijk naar huis wilde was ik zo beleefd mogelijk en vroeg ik voor alles wat ik deed toestemming. “Mag ik de deur dicht doen tijdens het plassen?”

Na twee uur cel had ik een kort gesprek met een advocaat en werd ik meteen daarna verhoord. Na het verhoor ging ik voor nog eens twee uur de cel in. In totaal ben ik vijf en een half uur van mijn vrijheid beroofd geweest. Op dit moment is het nog een ‘lopende zaak’ die bij de Officier van Justitie ligt. Ik heb geen idee wat de volgende stappen zullen zijn.

Waarom vertel ik hier over mijn toch ietwat sullige particuliere vorm van burgerlijk verzet? Om twee redenen. Ten eerste omdat ik de hele episode symptomatisch vind voor de maatschappij waarin we nu beginnen te leven: een controlemaatschappij waarin we elk risico willen uitsluiten. Ten tweede omdat je vanuit een gebrek aan vrijheid een helderder perspectief krijgt op wat vrijheid betekent. Vrijheid kom ik zometeen op, nu eerst de risico-averse controlemaatschappij.

De controlemaatschappij en de risicosamenleving

CCTV mobile (Banksy)

CCTV mobile (Banksy)

Een reactie op mijn arrestatie die ik veel te horen kreeg was ongeveer de volgende: “Maar Hans, het is toch logisch dat je bij de Tweede Kamer om een identiteitsbewijs wordt gevraagd?” Hoezo is dat logisch? Dat ik door een poortje moet om te checken of ik geen wapens bij me heb kan ik nog begrijpen, maar waarom zouden de volksvertegenwoordigers persé moeten weten wie er met ze komt praten? Is de Tweede Kamer juist niet bij uitstek een plek waar je als burger relatief anoniem je grieven neer zou moeten kunnen leggen? Welke zekerheid denken we te krijgen als bezoekers hun paspoort moeten laten zien voordat ze naar binnen mogen?

Wat ik ook typerend vond is het feit dat niemand besloot om de situatie te de-escaleren. De portier, het hoofd van de beveiliging, de dienstdoende politieagente, de twee agenten die van het bureau kwamen en de Hulpofficier van Justitie. Elk van hun had kunnen voorkomen dat ik een avond in de cel zou zitten. “Ah, u werkt voor een burgerrechtenorganisatie en u bent tegen de identificatieplicht, interessant. Zo’n pasje is natuurlijk niet de bedoeling meneer. Geef maar even hier en volgende keer niet meer doen hè.” Dat gebeurde niet, want regels zijn regels en daar moet je je aan houden. We voelen ons tegenwoordig niet meer vrij om van de regels af te wijken. Voor degenen die nu meteen aan Eichmann moeten denken: Die vergelijking lijkt zelfs mij ongepast en wilde ik vanavond dus even overslaan.

Onze reactie op een wereld die steeds complexer wordt is het wegmanagen van onzekerheid. Nassim Taleb heeft daar in zijn recente boek ‘Antifragile’ een mooi Engels woord voor bedacht: ‘Touristification’. Hij schrijft, met excuses voor de Engelstalige quote:

“[Touristification] is the systematic removal of uncertainty and randomness from things, trying to make matters highly predictable in their smallest details. All that for the sake of comfort, convenience, and efficiency. What a tourist is in relation to an adventurer [..] touristification is to life.”

Taleb gebruikt het beeld van de ‘soccer mom’, de voetbalmoeder. De huidige ouder probeert de complete ervaring van hun kind te ontwerpen. Geen tegenvallers, geen trauma’s. De wereld als ‘Disney World’. Het ontbreekt deze kinderen dus aan de willekeur, chaos en onzekerheid die er juist voor zorgen dat je de wereld kunt trotseren. Dit zijn fragiele kinderen.

Op macroniveau gebeurt hetzelfde. We willen een compleet voorspelbare wereld, maar krijgen juist het omgekeerde. Dat is waarom ik het eerder over die middelbare school in de Bijlmer had. Het geloof in de goedheid van de mens en het vertrouwen in elkaar van de jaren zeventig is er niet meer. Maar het geloof in de maakbaarheid van de samenleving is volledig teruggekeerd. Deze keer gaat het wel lukken. Omdat we data hebben.

‘Smart cities’ en ‘big data’

Om dat te begrijpen helpt het om een laatste verhaal over de Tweede Wereldoorlog te vertellen.

Hollerith machine (U.S. National Archives and Records Administration)

Hollerith machine (U.S. National Archives and Records Administration)

Deze foto komt waarschijnlijk uit 1940. De mevrouw heeft een zogenaamde Hollerithkaart vast. Herman Hollerith was een Amerikaanse uitvinder die zijn proefschift schreef over elektronische optelmachines. In 1889 kreeg hij een patent toegewezen met de titel “Art of Compiling Statistics”. Het komt erop neer dat hij een manier had uitgevonden waarmee je heel snel een bevolkingstelling kon doen. Elke ponskaart staat voor een persoon met eigenschappen (de gaatjes in de kaart) en zijn machine kon de kaarten dan supersnel per eigenschap sorteren. Het afronden van de Amerikaanse volkstelling van 1880 had acht jaar geduurd. Met Hollerith’s technologie was de klus in 1890 binnen een jaar geklaard. In 1896 begon hij zijn eigen bedrijf, de ‘Tabulating Machine Company’. Overheden van over de hele wereld licenseerden zijn machines om volkstellingen te kunnen doen. In 1911 fuseerde Hollerith’s bedrijf met drie andere bedrijven, in 1924 kreeg dat bedrijf een nieuwe naam: International Business Machines, ook wel IBM.

Hitler kwam in januari 1933 aan de macht en besloot in april 1933 om een volkstelling te doen. Die had hij nodig om Joden, zigeuners en andere etnische groepen makkelijker te kunnen identificeren. Dehomag, een Duitse dochteronderneming van IBM, leverde de technologie om dit voor mekaar te krijgen. De toenmalige CEO van IBM, Thomas Watson, reisde eind 1933 zelf af naar Duitsland om daar afspraken te maken. De investering in de dochteronderneming werd vergroot van vierhonderd duizend naar zeven miljoen ‘Reichsmark’ waarmee een eerste fabriek in Berlijn gebouwd werd. IBM en Dehomag waren daarmee klaar voor een lucratieve relatie met het Hitler regime. Een paar jaar later had elk concentratiekamp zijn eigen Hollerith-afdeling waarin de administratie van de kampgevangenen met ponskaartjes bijgehouden werd.

Edwin Black, de Amerikaanse onderzoeksjournalist die dit verhaal compleet heeft uitgezocht voor zijn boek “IBM and the Holocaust”, schrijft dat de Holocaust ook zonder de hulp van IBM gebeurd zou zijn. Toch is hij van mening dat de kampen nooit zoveel slachtoffers hadden kunnen maken als ze niet de beschikking hadden gehad over deze apparaten en ponskaarten. IBM was dus de hofleverancier van een essentieel stuk Holocaust gereedschap. In de inleiding van zijn boek schrijft Black:

“Solipsistic and dazzled by its own swirling universe of technical possibilities, IBM was self-gripped by a special amoral corporate mantra: if it can be done, it should be done. To the blind technocrat, the means were more important than the ends.”

“If it can be done, it should be done.” Met die uitspraak in gedachte wil ik even kijken naar de taal die het hedendaagse IBM gebruikt om hun corporate agenda rondom ‘smart cities’ (slimmere steden), aan ons op te dringen. Gisteren ben ik even op hun website gaan kijken. Onder het kopje ‘Oplossingen’ vond ik het volgende:

“De systemen die cruciaal zijn voor de moderne beschaving – transport, water, energie, onderwijs, gezondheidszorg, overheid – komen samen in onze steden. [..] Veel van deze systemen zijn al geïnstrumenteerd en produceren gegevensstromen – maar nu hebben we ook de mogelijkheid [onthou: "if it can be done, it should be done", maar nu hebben we ook de mogelijkheid] systemen onderling te verbinden. We hebben de analysetools, de immense computerkracht en de visualisatiemogelijkheden om deze gegevens vast te leggen en te interpreteren. Daardoor kunnen we slimmere beslissingen nemen over de manier waarop we omgaan met onze wereld waarin we leven.

Wie neemt die zogenaamd ‘slimmere’ beslissingen eigenlijk? We krijgen de contouren van de maatschappij van de toekomst steeds scherper in beeld. Dit wordt een maatschappij met een gigantische kloof tussen de ‘data-haves’ (overheden en grote bedrijven) en de ‘data-have nots’ (burgers). De ‘data-haves’, partijen als Google, Amazon of IBM, maken de datastromen, die wij allemaal onvermijdelijk constant achterlaten, te gelde. Op basis van analyses op die data (waar wij als burger geen toegang toe hebben) wordt nieuw beleid gemaakt en worden algoritmes geschreven die onze leefwereld moeten optimaliseren, maar ook drastisch kunnen inperken.

Ik zal deze problematiek met een klein voorbeeld concreet proberen te maken.

Car2go (Flickr gebruiker: Elvert Barnes, CC BY-SA 2.0)

Car2go (Flickr gebruiker: Elvert Barnes, CC BY-SA 2.0)

Omdat ik geen auto heb, gebruik ik zo af en toe een Car2Go. Ik kan in- en uitchecken met een pasje en betaal per gereden minuut. Tijdens het rijden loopt er een groen tellertje mee die bepaalt of je wel zuinig genoeg rijdt. Een vriend van mij reed een tijd geleden op de grachten en had een beetje haast. Dat ging gepaard met snel optrekken en veel gerem, niet zo zuinig dus. Op een gegeven moment stond het tellertje op nul en zei de boordcomputer: “U rijdt roekeloos, als u zo door gaat dan zullen wij uw abonnement beëindigen.” Hij reed helemaal niet roekeloos, maar de computer zag dat toch echt anders.

Het is een mooi voorbeeld van het hedendaagse primaat van het algoritme. In het geval van een abonnement op een auto-huurdienst is het nog relatief onschuldig, je kunt tenslotte ook met de tram gaan. Maar hoe zit het met “computer says no” als het gaat over het afsluiten van een lening of een hypotheek, of als het algoritme bepaalt dat jij geen verzekering mag? Waar zijn eigenlijk de garanties dat de technologie niet gebruikt kan worden voor een moderne vorm van ‘redlining’? Oei, u heeft veel heel ‘gangsterrap’ geluisterd op Spotify, ons hotel zit toch vol… Tja, ik begrijp dat u een Islamitische slagerij in dit pand wil openen, maar de computer geeft duidelijk aan dat het moslim-quotum in de retail-space van deze wijk al bereikt is.

Naast een naïef geloof in de maakbaarheid van de samenleving gaat het hele ‘smart city’ denken, en de meeste andere toepassingen van ‘big data’, voorbij aan een ander cruciaal feit: je kunt het nemen van goede beslissingen niet overlaten aan algoritmes die dit doen op basis van zoveel mogelijk data. De meest optimale of efficiënte oplossing is niet altijd goed. ‘Goed’ zit in de morele sfeer en daar horen transparante politieke afwegingen aan vooraf te gaan. We kunnen er niet vanuit gaan dat bedrijven een moreel kompas hanteren bij de keuzes die ze voor ons maken.

Blijft er in zo’n toekomst vol met algoritmische poortwachters nog iets van onze vrijheid over?

De betekenis van vrijheid

Get free or die tryin' (Flickr gebruiker: Linus Bohman, CC BY 2.0)

Get free or die tryin’ (Flickr gebruiker: Linus Bohman, CC BY 2.0)

Het nationaal comité voor 4 en 5 mei heeft in 2012 aan de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur gevraagd om het begrip vrijheid te duiden. De auteurs bespreken het dilemma van de vanzelfsprekendheid van vrijheid. Ik citeer:

“Wie onvrijheid voelt weet wat vrijheid is, of hoe het zou moeten zijn. Het is te vergelijken met mensen die ziek zijn en waarvoor de betekenis van gezondheid onomstreden is. Maar als we gezond zijn, is het zaak hoe ervoor te zorgen dat we het ook blijven. Dat geldt des te meer voor mensen die nooit echt ziek zijn geweest.”

Volgens mij klopt deze analogie niet helemaal. Net zoals we niet altijd in staat zijn te herkennen dat we ziek zijn, zijn we namelijk helemaal niet goed in het voelen en herkennen van onvrijheid. Jarenlang heb ik ik als docent mij laten leiden door de schoolbel. De bel bepaalde hoe laat ik op kon staan en gaf aan wanneer ik kon gaan lunchen. Ik heb er al die jaren nooit last van gehad. Pas toen ik een andere baan kreeg merkte ik opeens hoeveel invloed die schoolbel op mijn leven had en wat ik daarvoor had ingeleverd. Het is een triviaal voorbeeld, maar het laat mooi zien dat ons menselijk adaptief vermogen zo hoog is dat wij in staat zijn om ons vrij te voelen in een situatie waarin we relatief onvrij zijn.

Snowden en verzet

Edward Snowden (Laura Poitras/Praxis Films, CC BY 3.0)

Edward Snowden (Laura Poitras/Praxis Films, CC BY 3.0)

Daarom wil ik deze avond eindigen met Edward Snowden. Hij heeft ons laten zien dat we niet vrij zijn. Zijn moed en persoonlijke opoffering zijn zeker te vergelijken met een Gerrit van der Veen. Hij is een verzetsheld in een oorlog die wij allemaal aan het voeren zijn. Dankzij hem hebben we het gekozen pad van onze overheden helder in beeld: volledige controle en extreme risicominimalisatie, gefaciliteerd door publiek-private partnerships. Ik heb vandaag weinig aandacht besteed aan de impact van zijn onthullingen, dat laat ik graag over aan de spreker die volgend jaar aan de beurt is.

Met deze eerste Godwin-lezing heb ik geprobeerd om uit te leggen waarom de vrijheid die wij vandaag vieren geen vanzelfsprekendheid is. En dat de aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister zowel een krachtig historisch symbool kan zijn als een waarschuwing voor de datahonger van moderne overheden en bedrijven. Hopelijk heeft mijn verhaal duidelijk gemaakt dat we ook nu, net als toen bij de aanslag op het bevolkingsregister, verzetshelden en brandweerlieden nodig hebben. Mocht u niet bij het verzet willen of kunnen, kunnen we dan wel op u rekenen in de rol van de ‘brandweer’?

Dat was het. Veel dank voor uw aandacht.

Written by Hans de Zwart

13-05-2014 at 15:58

Posted in Other

The Books I Read in 2013

Just like last year I decided to publish an overview of the books that I’ve read during the year.

Covers of the books I read

Covers of the books I read

This year I managed to read 48 books (I am really missing my daily commute, don’t believe the 47 in the picture above) which I’ve put in the following categories:

Philosophy

Mcluhan’s Understanding Media is the single most important book on technology that I’ve ever read. His probes are all-encompassing and still very relevant 50 years after their first publication. Taleb gave me a new way of looking at the world and a set of tools for thinking that is richer than Dennett’s attempt at doing the same. Carse’s classic is well worth reading and I would love to read more Žižek in 2014.

  • Understanding Media: The Extensions of Man — Marshall McLuhan (link)
  • Antifragile: Things That Gain from Disorder — Nassim Nicholas Taleb (link)
  • Intuition Pumps And Other Tools for Thinking — Daniel C. Dennett (link)
  • Finite and Infinite Games: A Vision of Life as Play and Possibility — James P. Carse (link)
  • Digital McLuhan: A Guide to the Information Millennium — Paul Levinson (link)
  • First as Tragedy, Then as Farce — Slavoj Žižek (link)
  • Het socratisch gesprek — Jos Delnoij (link)
  • McLuhan: A Guide for the Perplexed — W. Terrence Gordon (link)
  • The Open-Source Everything Manifesto: Transparency, Truth, and Trust — Robert David Steele (link)

Digital Rights

I expect this category to grow in 2014 with more books about privacy, freedom of expression and the Internet. Solove delivers good arguments on why privacy is important and Edwards (inadvertently) showed me how scary it is to work for Google.

  • Nothing to Hide: The False Tradeoff between Privacy and Security — Daniel J. Solove (link)
  • I’m Feeling Lucky: The Confessions of Google Employee Number 59 — Douglas Edwards (link)

Learning

My focus will move away from learning, but I still managed to read some fascinating books on the topic in 2013. Harrison left me itching to try his method for running meetings with large and diverse groups. Illich clearly showed the institutionalizing effects of schooling (confusing being taught with learning and confusing certification with competence). Gatto made me loathe to put children in schools (read Dumbing Us Down, the Underground History is less cogent).

  • Open Space Technology: A User’s Guide — Harrison Owen (link)
  • Deschooling Society — Ivan Illich (link)
  • Dumbing Us Down: The Hidden Curriculum of Compulsory Schooling — John Taylor Gatto (link)
  • De canon van het onderwijs — Emma Los (link)
  • The Underground History of American Education: An Intimate Investigation Into the Prison of Modern Schooling — John Taylor Gatto (link)

B00kc7ub 4 N3rd5

The book club read nine books in 2013. By far the most thought- and discussion-provoking was Morozov battling “internet-centrism”, “epochalism” and “solutionism”. Eggers enlarged current Google and Facebook practices to show us the grotesque direction we are moving in. Zamyatin wrote a Russian version of “1984” (way before Orwell) subverting the concept of freedom. Silver was a great read and Lanier gave me the useful concept of “Siren Servers”.

  • To Save Everything, Click Here: The Folly of Technological Solutionism — Evgeny Morozov (link)
  • Makers: The New Industrial Revolution — Chris Anderson (link)
  • The Circle — Dave Eggers (link)
  • Cypherpunks: Freedom and the Future of the Internet — Julian Assange, Jacob Appelbaum, Andy Müller-Maguhn, Jérémie Zimmermann (link)
  • The Signal and the Noise: Why So Many Predictions Fail – But Some Don’t — Nate Silver (link)
  • Bleeding Edge — Thomas Pynchon (link)
  • We — Yevgeny Zamyatin (link)
  • Who Owns the Future? — Jaron Lanier (link)
  • The New Industrial Revolution: Consumers, Globalization and the End of Mass Production — Peter Marsh (link)

Fiction

For some reason I had yet to read Kafka’s The Trial. It didn’t disappoint. Shteyngart made me laugh the hardest (with Thomése coming in a close second) with his near-future dystopian novel on our hypercommercialized digital future.

  • The Trial — Franz Kafka (link)
  • Super Sad True Love Story — Gary Shteyngart (link)
  • Cat’s Cradle — Kurt Vonnegut (link)
  • De laatkomer — Dimitri Verhulst (link)
  • 2BR02B — Kurt Vonnegut (link)
  • How to Get Filthy Rich in Rising Asia — Mohsin Hamid (link)
  • Homeland (Little Brother, #2) — Cory Doctorow (link)
  • Het bamischandaal — P.F. Thomése (link)
  • Gelukkige Slaven — Tom Lanoye (link)

Other

There were some real gems in this miscellaneous category. Feddes has set the standard for books on cities. Because of Hillis I finally understand how computers work. My friend Dorien Zandbergen‘s PhD thesis gave some wonderful insights into hacker culture in the bay area. Van Casteren’s book made me think of my early teenage years living in a young neighbourhood in a forensic town just above Amsterdam.

  • 1000 jaar Amsterdam — Fred Feddes (link)
  • Ultralight Backpackin’ Tips: 153 Amazing & Inexpensive Tips for Extremely Lightweight Camping — Mike Clelland (link)
  • The Pattern on the Stone (Science Masters) — W. Daniel Hillis (link)
  • Japan’s Cultural Code Words: 233 Key Terms That Explain the Attitudes and Behavior of the Japanese — Boyé Lafayette de Mente (link)
  • The Incredible Secret Money Machine — Don Lancaster (link)
  • New Edge, Technology and Spirituality in the San Francisco Bay Area — Dorien Zandbergen (link)
  • Thoughtless Acts?: Observations on Intuitive Design — Jane Fulton Suri (link)
  • The Big Lebowski: An Illustrated, Annotated History of the Greatest Cult Film of All Time — Jenny M. Jones (link)
  • Lelystad — Joris van Casteren (link)
  • Treat Your Own Neck 5th Ed (803-5) — Robin McKenzie (link)
  • The Art of Innovation: Lessons in Creativity from IDEO, America’s Leading Design Firm — Tom Kelley (link)
  • Een halve hond heel denken: Een boek over kijken — Joke van Leeuwen (link)
  • How to Be an Explorer of the World: Portable Life Museum — Keri Smith (link)
  • What Color Is Your Parachute? 2012: A Practical Manual for Job-Hunters and Career-Changers — Richard Nelson Bolles (link)

Written by Hans de Zwart

31-12-2013 at 17:36

A Personal Transfer: From Shell International to Bits of Freedom

Bits of Freedom

Bits of Freedom

About 4.5 years ago I wrote about me going to work for Shell. Now I am changing employer again. Starting today I will be the director of Bits of Freedom, a Dutch organization focusing on privacy and freedom of communication in the digital age.

I’ve had a wonderful time at Shell: a steep learning curve, many opportunities for doing interesting projects in the learning technology and disruptive innovation fields, smart colleagues and enough scale and budget to try out big things. I wasn’t looking to leave, but couldn’t let this chance pass by.

If you know me even a little, then you will understand that going to work for Bits of Freedom is very much a passionate choice. As somebody who understands and appreciates the positive potential of technology, I am deeply worried about the technology-mediated future we are currently creating for ourselves. I want to make an impact and change that for the better. I can’t imagine a place in the Netherlands that is more at the forefront on issues like surveillance, the EU privacy directive or net neutrality than Bits of Freedom. I am honoured that I get to work there for the next few years.

This will likely also mean a change in course for this blog. Future digital rights related posts will go up in Dutch on the Bits of Freedom blog (Creative Commons-licensed naturally). I will have less time to focus on the world of learning, but will put some thinking into privacy of learners, data ownership and learning analytics in the next few months. Let’s see what gets posted here going forward…

Written by Hans de Zwart

01-10-2013 at 08:30

My Top 10 Tools for Learning 2013

Jane Hart has been compiling a list of top 100 tools for learning for over six years now. This is one of the many reasons why she received an award for her contribution to Learning.

A learning tool from the perspective of this list is:

Any tool that you could use to create or deliver learning content solutions for others, or a tool you use for your own personal learning.

You can view the 2012 top 100 results below (or here if SlideShare isn’t embedded for you):

I have participated in her list in the past. My previous top 10 lists are available here for 2008, 2009 and 2010. Voting for 2013 has recently openened. Below my votes (in alphabetical order):

  1. Books
    I read a lot of books, and (will) look back every year on what I’ve read. See my overview of 2012 books for example. If I would have to pick one technology only, it would be books.
  2. DoggCatcher
    This is probably the best podcasting app for Android. It will automatically pull in the shows that I like, sort them in the order of my preference and play them (remembering where I was) in that order. I use podcasts mainly to catch up on technology and am currently subscribed to the following shows: This American Life, 99% Invisible, Radiolab, This Week in Tech, Security Now!, Guardian Tech Weekly, Guardian Science Weekly, Triangulation, EconTalk and FLOSS Weekly.
  3. DuckDuckGo
    I’ve recently moved away from Google and now use DuckDuckGo for all my searches (and thus much of my learning). My initial reason was to get back some of my privacy and break out of the filter bubble a little. I’ve now found out it actually delivers a far superior user experience which can be ad-free if you’d like. The bang syntax allows me to directly search at the source rather than use Google as the middle man and DuckDuckGo has endless nice tricks up its sleeve. Instructions on how to make the switch are available for your browser here.
  4. Evernote
    Evernote is the single place where I put all my notes and do all my bookmarking. I like how ever-present it is and the way it syncs to my phone. I dislike the fact that there is no official Linux client (and that there won’t be one any time soon). Evernote also has some severe limitations as a tool for Personal Knowledge Management (PKM), so (inspired by Stephen Downes) I’ve decided I will program my own alternative.
  5. Firefox
    After a long stint with Chrome I’ve recently returned to Firefox. The performance of the latest version actually beats Chrome, they’ve seemed to have fixed most of the memory leaks and Mozilla has no sly commercial interests and truly cares for the open Internet.
  6. GoogleDocs
    I like writing collaboratively and in real time. It is a great way to build concensus and a shared vision. I will likely host my own etherpad installation very soon, but know that I will miss GoogleDocs’ ability to have people comment on particular aspects of the text.
  7. Libreoffice
    Occasionally I learn by giving presentations. Even though I like using Pinpoint, I keep coming back to a simple Impress template that I’ve created in LibreOffice. I export the presentation as a PDF as bring that along to the presentation on a USB stick. This means I can use any PC or Mac to present and never have to worry about my fonts or layout changing.
  8. Twitter
    There are a few use cases for Twitter for me. When I visit a conference I use it to find out what is happening around me and which people I should try and meet. I use it as a way to publicize my own writings and it has completely taken over the role that Google Reader used to fulfill previously: my source of news. The daily digest that I get for my account gives me two or three interesting reads every single day. I’ve documented how you can use Twitter to find expertise on any topic here.
  9. WordPress
    A lot of my learning comes through writing. The prime tool for this is my blog and WordPress has been my host of choice since the beginning. Automattic, the company behind WordPress, is very interesting.
  10. Yammer
    Inside my company we use Yammer. There are over 30,000 people in the network making it the go-to place whenever I need to know something about our internal workings and don’t even know where to start.

Written by Hans de Zwart

02-07-2013 at 15:44

How to Use Twitter to Become an Expert on Any Topic

Sometimes you need to quickly immerse yourself in a new field. You might want to gain expertise or quickly gauge what the current issues are around a particular topic. One way of doing this is by creating a dedicated Twitter account to follow a topic. Below some instructions on how you could do this.

Setting up a Twitter account with the right settings

Twitter sign up page

Twitter sign up page

  1. Go to Twitter.com.
  2. Create a new account by filling in a name, password and email address. Unfortunately the email address needs to be unique. If you have an gmail account, then this limitation is easy enough to get around.
  3. In the next step you get to pick a Twitter username, this is the name that will be displayed in front of the @ sign.
  4. Twitter will now ask you to go through a set of steps designed to give you a good first user experience. You can ignore most of these steps. Probably the quickest way to continue is just navigate out of the welcome screen by going to the Twitter main page. Twitter will also send you an email with a confirmation link that you will have to click on.
  5. After getting your account sorted, click on the “settings wheel” in the top right corner and click on “Settings”. In the left menu click on “Email notifications” (or just click here when logged in).
  6. If you don’t want to receive a lot of emails from Twitter, then turn most of these notifications off.
  7. Make sure that “Email me with Top Tweets and Stories” is turned on and that you have picked “Sent as a daily digest” in the dropdown menu.
  8. Since we are doing research it makes sense to tick the box to receive “Suggestions based on my recent follows”.
  9. Press the “Save changes” button at the bottom if you have changed anything in these notification settings.

Finding the right Twitter accounts to follow

  1. Start by typing your topic in the Twitter search field.
  2. Find a tweet that interests you.
  3. Click on the user name of the account that tweeted this tweet.
  4. See if the biography of the user and their other tweets also are interesting to you. Also check if they have at least some followership (although very interesting sources could still have very few followers). If they are interesting click on their username once more.
  5. Click on “Follow” to follow the user.
  6. Twitter will suggest some users that might be interesting too, you can follow up on these later.
  7. In the left menu click on “Lists”, then select “Member of” (find the link in the center of the page). See if there is a title of a list that speaks to your topic. Now you can start at step 2 again or you can select “List members” in the menu on the left and restart at step 3.
  8. Continue with this loop (and occasionally backtrack) until you have at least 50 sources.
  9. Keep adding sources as you find them, make sure to revisit this process once in while.
Click to see a full example of the digest (PDF)

Click to see a full example of the digest (PDF)

Final step: getting the most out of it

Here is some advices on getting the most out of your dedicated Twitter account:

  • Don’t be too picky at the outset. Include any Twitter account that is remotely interesting. You don’t have to be precise. The time deliberating on whether you should include an account is probably better spent finding other interesting account: just follow them.
  • Pay attention. The daily digest is full of the links that the network of people you are following found most interesting (things that have been retweeted a lot for example). Follow the links, see if they lead to new websites you’ve never heard of (sign up if they are interesting) or new people you don’t know. You should spend quality time on reading and processing the digest.
  • Cull accounts with high influence and low relevance. Some Twitter accounts have a lot of influence: links that they share show up on most days in your digest. Ask yourself if you like those links. If you don’t, then unfollow that Twitter account. This might enrich and diversify your digest.
  • Ask the Twitter accounts that have helped you the most for more help. Something like: “@usefultwitteraccount I have really appreciated your tweets over the last couple of weeks. Any suggestions of who else I should follow?” will usually get a helpful response.

Let me know how you get on!

Written by Hans de Zwart

12-06-2013 at 17:49

Posted in Innovation

Tagged with ,

An Innovation Manifesto

Over the last few weeks I collaborated with a few people to write an innovation manifesto for an IT function. I think the following statements are a pretty good starting point to becoming more innovative:


We prefer outside-in over inside-out
You can start by looking what issues we have internally and then find solutions for those issues. You can also look at what issues are worked on externally and try to bring solutions to those issues inside. Organization will continue to be good at doing the former, that is why we prefer to focus on the latter.

We share the responsibility
We are all responsible for innovation. Each of us tries to work on their own discovery skills (associating, questioning, observing, experimenting and networking) and the discovery skills of others in the team.

There is always business involvement
For each experiment (proof of concept) that we do, we will have somebody in the business working with us. We don’t innovate by ourselves and realize that innovation requires multiple businesses and functions to collaborate.

We shape expectations
We build informal coalitions of people who work on an opportunity. Together we explore where the value lies. We encourage ambition without creating expectations that can’t be met.

We are user-centered, not technology-focused
The user does not care about the intricacies of IT, they just want things to work well. We take a user-centered perspective when looking at problems and solutions and regularly sit next to our end-users. We recognize that technology is not always the innovative solution in all cases.

We have a bias to “yes”
Saying “no” to ideas and plans is easy. We aim to say “yes, let’s investigate” and then work on trying to make it happen in a way that is cost-efficient and addresses any risks.

We focus on the achievable
Everything we do should have a do-able plan and sit within our sphere of influence. Organizations are good at big strategic initiatives already. Our efforts are nimble and have a shorter timeline, while keeping the bigger plan in mind.

We leverage what is already there
We reuse what has been done elsewhere in the business. We allow our suppliers and vendors to help us use their products better. We are good citizens in their customer communities.

We are experts in our domain
Our knowledge in our domain is deep and extends from internal processes and technology to the external market in all its dimensions. We invest heavily in our own expertise.

We accept and embrace change
Innovation starts with a willingness to accept change.


I am sure many innovation gurus wouldn’t agree with all the points above. Some people would argue for example that expertise can be a hindrance to innovation or that you should aim for what isn’t currently achievable. I am very curious to hear your thoughts.

Written by Hans de Zwart

06-06-2013 at 09:30

Posted in Innovation

Tagged with ,

How To Chair a Socratic Webinar

Socrates, CC-BY-SA licensed picture by Eric Gaba

The Man

Webinars are usually dreadful affairs. There is wise advice from Donald Taylor and there is the webinar manifesto (slightly too commercial: “Never design, deliver or sell lousy webinars again”) that will help you do a better job. I would like to add a completely different way to run a webinar. I call it the Socratic Webinar.

A Socratic conversation is a philosophical method where the participants trust their own thinking, rather than accept the expertise of somebody else. Questions are the starting point. The conversation is explicitly not a discussion, instead you try to listen as the group thinks their way towards an argumented answer. They do this by reflecting on their feelings, their thinking and their actions.

Chairing a Socratic conversation requires some skills. These suggestions are based on my experience and should help you on your way.

Preparation

Traditionally a Socratic conversation would start with questions that are raised by the participants. The chair of the conversation is a guide for the process and doesn’t need to know anything about the questions. This is different if you are asked to host a webinar. The webinar will likely have a topic and you are often seen as the expert.

Start by thinking of questions that you would like to ask the audience. Ideally these should be questions that are very open (or even philosophical) in nature. They will start with “What is”, “Is”, “Why” or “Should”. Questions that begin with “How”, “Can”, or “Will” are less interesting.

In a webinar you can work through one question every 15 minutes or so. So if your webinar lasts an hour, you can address 3-4 questions.

You will not share the questions with the participants in advance.

There is a limit to the number of participants in a Socratic conversation. Ideally you have between 5 and 15 participants, but it should work with up to 30 people. Socratic conversations are great to listen in on too. If you are working with large numbers, then you can invite some to join the conversation and have the rest listen in.

At the start of webinar

It is important to frame the Socratic conversation in the right way (your participants will not be used to this approach). Start by telling the participants that you will be having a Socratic conversation and read them the following rules:

  • This is not a discussion. It is an exploration in which we try to build on each other’s ideas.
  • Only one person can speak at a time. You can ask to speak by raising your (virtual) hand. I will give people the floor.
  • You are only allowed to speak if you are capable of repeating what the person before you said and if you are capable of summarizing the last 15 minutes of conversation. Often we are so intent on making our own point, that we forget to listen. Listening is important in Socratic conversations.

Ask whether there is anybody who can’t agree to the rules. Usually everybody agrees (legimitizing you to remind rule-breakers later on of what was agreed). If somebody has a problem with the rules, then either resolve those problems (convince them the rules are fine or change the rules) or ask them not to participate.

During the webinar

Start the exploration by showing the first question on screen. Ask who would like to say something about the question. Most webinar platforms (like Adobe Connect or Microsoft LiveMeeting) allow people to raise their hand or change their status to a different colour. You can then sort the participant list on this status and can instantly see who would like to say something. As soon as somebody “raises their hand” you can give them the microphone (sometimes this requires you to make some clicks in the system).

When the person finishes you ask the other participants whether somebody would like to build on that point. It is important to be a good facilitator of the conversation. Sometimes you need to summarize what was being said and rephrase the point in a generalized way and then ask for people’s reactions.

Occasionally nobody will come forward to speak. Don’t be afraid of the silence and just let it be for a little while. Soon enough somebody will not be able to tolerate the awkwardness and will step forward to say something. This always happens.

You will find that even a small audience is capable of creating by themselves most standard (or historical) arguments around any particular topic. Only if the participants have exhausted their lines of thinking and you as an expert still know another angle they have not explored, can you bring in your expertise and maybe some good stories and references. Don’t go overboard with this: the participants should be speaking at least 80% of the time.

Now move on to the next question.

Don’t let one person monopolize the conversation by constantly raising their hand or by very lengthy contributions. Say that you now want to hear from somebody who has not spoken yet. Once again: wait through the silence. If you do this well, you will get way more participation and interaction than in any other webinar. People love to be able to talk!

Ideally you will write notes during the session. These should capture both the arguments that the participants created and explored and the stories and references that you brought into the conversation.

After the webinar

If you have taken notes during the session, you can format these nicely and share them with the participants. Because they’ve been active participants in the exploration, they will have a much stronger connection with the material.

Give people the option to continue the conversation with you: share your contact details and how people can connect with you.

I realize that 99% of the webinars are about selling people a product you might have. If you purpose is different, you want your audience to really think, then it is worthwhile trying the Socratic version. Do let me know your experiences with the methodology.

I need to acknowledge my indebtedness to Humberto Schwab for being my philosophy teacher (about 20 years ago) and for showing a Socratic conversation at Picnic 2012. I have done my own interpretation of the process, so blame me for anything that is wrong with this write-up of the methodology.

Written by Hans de Zwart

27-05-2013 at 15:42

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 5,488 other followers

%d bloggers like this: